Ik weet niet meer of ik dacht dat mijn interesse ook maar iets uit zou maken, maar toen ik mijn 18 jarige patiënte vroeg naar haar herseninfarct in relatie tot haar cocaïne gebruik kreeg ik een dikke vette middelvinger. Waar ik me wel niet mee bemoeide, foeterde ze hardop. Iedereen liep maar “aan haar kop te zeuren”. “Altijd”. “De hele dag”. Ziektes vlogen de kamer door, handgebaren wapperde woest in het rond.

Behalve een “noodzakelijke” vloek op z’n tijd ben ik zelf niet bepaald grof in de mond, maar mijn oren klapperen niet van een dergelijke tirade. Ik werkte toen in één van Nederlands meest criminele steden. Ik ben in mijn carrière bespuugd, gekrabd, geschopt, geslagen en uitgescholden, en ben zelfs een keer met poep besmeurd (leuk… drugs, leuk… alcohol). Dit puberbrutale gedrag van kon ik dus prima naast mij neerleggen, maar zeker niet goedkeuren.

Zonder enige aankondiging, te pas en te onpas, kwamen haar vrienden de patiëntenkamer op. Ze nodigde ze uit of ze wisten haar gewoon via via te vinden, ik heb geen idee. Toen we het vermoedde kregen dat ze drugs dealde vanuit haar bed stuurde we iedereen weg. Het leek zowaar te helpen, tot we vanuit de koffiekamer (vier verdiepingen hoog) haar in pyjama en met infuuspaal buiten het ziekenhuis haar zaakjes weer zagen oppakken. Ze kwam enkel weer naar boven om haar piepende infuus te laten verwisselen. En om een nieuw pakje “peuken” op te halen. Ik vond het moeilijk om grenzen te stellen aan haar gedrag. Buiten de poorten van het ziekenhuis hebben wij volgens mij niets te zeggen over wat de patiënt uitspookt. Haar nachtkastje doorzoeken op bijvoorbeeld cocaïne al helemaal niet. We voelden ons allemaal een beetje machteloos.

Haar ouders waren haar gedrag al langer beu. Hoewel hun dochter het op school eigenlijk best redelijk deed hadden ze toch al veel met haar meegemaakt. Dit was niet haar eerste drugsgerelateerde ziekenhuis opname, maar een herseninfarct was wel andere koek. Ze maakten zich ontzettend veel zorgen om hun dochter, het liefst hadden ze haar willen beschermen maar ze liet hen niet toe. Ze stuurde haar ouders steeds weer weg. Er kwam geen shag meer, geen tijdschriften, geen schoon wasgoed. Onze jongedame was op z’n zachtst gezegd “not amused”. Van haar goedlopende handeltje konden wel wat dingen worden gekocht in het winkeltje, dus deed ze daar haar noodzakelijke boodschappen. Maar behalve een schoon setje oude dames onderbroeken was er qua kleding eigenlijk niets te koop.

En na een week ons “gezeur te moeten aanhoren” was voor haar de maat vol. Ze kon ons “echt niet meer aanzien”. We kwamen haar de neusgaten uit. En dus tekende ze de papieren dat ze vrijwillig het ziekenhuis wenste te verlaten. Ik had er eerlijk gezegd wel wat moeite mee om haar te laten gaan. Ik maakte me zorgen, ze was nog zo jong in haar gedrag, maar besefte ook heel goed dat ik haar niet verder kon helpen. Dus daar ging ze, zonder kleding. Slechts gekleed in een knalroze badjasje, dat niet veel langer was dan haar oude dames onderbroek. De stijl volledig afgemaakt met een paar tijgerprint nep-Uggs. Omkijken deed ze niet meer toen ze de afdeling afliep, dit in tegenstelling tot iedereen die haar passeerde. Ze paradeerde weg, zonder gene en met opgeheven hoofd tot ze uit ons zicht verdween.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s